Tijdsbesef ontwikkelen: klokkijken is meer dan aflezen

Een leerling die feilloos kwart over drie afleest, kan geen enkele inschatting maken van hoe lang tien minuten duurt. Dat is geen tegenstrijdigheid: aflezen en tijdsbesef zijn twee verschillende vaardigheden, en de tweede krijgt in de meeste klassen nauwelijks aandacht.
Tijdsbesef ontwikkelen: drie losse onderdelen
Tijd valt in de klas uiteen in drie vaardigheden, en een leerling kan de ene wel hebben en de andere niet.
- Volgorde: wat komt eerder, gisteren of vorige week?
- Duur: hoe lang is tien minuten, en is dat langer dan de pauze?
- Aflezen: welke tijd staat er op de klok?
Het aflezen krijgt verreweg de meeste lestijd, terwijl duur in het dagelijks leven het vaakst nodig is. Die verhouding is de moeite van het bijstellen waard.
Waarom duur zo lastig is
Lengte kun je zien, gewicht kun je voelen, inhoud kun je overgieten. Duur kun je alleen ervaren, en dan nog vertekend.
Tien minuten wachten voelt langer dan tien minuten spelen. Dat maakt tijd de enige maat waarbij de waarneming systematisch afwijkt van de meting.
Leerlingen moeten dus leren dat hun gevoel hier onbetrouwbaar is, en dat is een lastiger les dan bij welke andere maat ook.
Laat duur ervaren en meten
De enige manier om duur te leren is hem herhaaldelijk meemaken en meteen daarna de meting zien.
Laat de klas een minuut stilzitten met de ogen dicht en de hand opsteken als ze denken dat de minuut om is. De spreiding is enorm en dat is precies het punt.
Doe hetzelfde met tien seconden en met vijf minuten. Na een paar weken worden de schattingen aantoonbaar beter, en dat kun je laten zien.
Combineer dat met een schattingsopdracht die de hele dag doorloopt. Schrijf aan het begin van de ochtend op hoe lang de klas denkt dat de rekenles duurt, en kijk aan het eind terug.
Die vorm kost geen lestijd en levert per week vijf metingen op. Bovendien merken leerlingen zelf dat hun schattingen beter worden, en dat is motiverender dan wanneer jij het zegt.
Koppel duur aan wat leerlingen kennen
Abstracte tijdseenheden worden concreet als je ze aan bekende activiteiten koppelt. Bouw daar een klassikale lijst van.
Tandenpoetsen is twee minuten. De pauze is een kwartier. Een les is drie kwartier. Een schooldag is zes uur. Zo'n lijst hangt in het lokaal en wordt de rest van het jaar gebruikt.
Bij het schatten van een tijdsduur kunnen leerlingen dan vergelijken: dat is ongeveer een pauze, dus een kwartier. Dat is precies wat referentiematen bij lengte en gewicht ook doen. Meer daarover staat bij referentiematen.
Volgorde en de tijdlijn
Volgorde lijkt eenvoudig en is dat niet. Eergisteren, overmorgen, vorige maand: dat zijn woorden die een deel van de klas niet zeker plaatst.
Een tijdlijn aan de muur helpt, met dagen en maanden erop. Verwijs ernaar bij elke datum die voorbijkomt, ook buiten de rekenles.
Dat is bovendien de opstap naar het rekenen met de kalender in groep 5 en 6. Meer daarover staat bij kalenderrekenen.
Van tijdsbesef naar rekenen met tijd
Rekenen met tijd (hoe laat is het over 40 minuten) leunt op tijdsbesef, want zonder gevoel voor duur controleert een leerling zijn antwoord niet.
Bij 14.50 uur plus 40 minuten komt een leerling met slecht tijdsbesef zonder morren uit op 14.90 uur. Wie voelt dat een uur bijna om is, ziet meteen dat dat niet kan.
Investeer dus eerst in duur en dan pas in de sommen. Meer daarover staat bij rekenen met tijd.
Wat je in je dag inbouwt
Tijdsbesef vraagt geen aparte lessen maar wel dagelijkse aandacht. Vier gewoontes kosten samen geen lestijd.
Kondig activiteiten aan met een duur: we werken twintig minuten. Zet een zichtbare timer. Vraag achteraf hoe lang het volgens de klas duurde. En laat leerlingen de dagplanning met tijden lezen.
Die derde is de nuttigste, want daar zit de terugkoppeling. Zonder vergelijking tussen schatting en werkelijkheid verbetert het gevoel niet.
Wat de leerlijn vraagt
In de leerlijn van SLO voor meten staat dat leerlingen leren meten en rekenen met eenheden en maten, en tijd wordt daar als eerste genoemd.
Meten betekent hier ook schatten en vergelijken, precies zoals bij lengte en gewicht. Het aflezen van een klok is daar maar een klein onderdeel van.
Dat is een argument om tijdsbesef een plek in je planning te geven en het niet te laten samenvallen met het klokkijken.
De tafel van 5 onder de klok
Rekenen met minuten leunt op de tafel van 5. Korte rondes met zicht per leerling. Gratis, zonder account.
