Home › Blog › Sommen tot 20
Veerle Dielen · Basisschoolleerkracht · 27 augustus 2026 · 7 min lezen · Sommen tot 20

Plussommen tot 10: vijf manieren die echt werken

Een kaart met 6 plus 3 is 9 en de vijf manieren om daar te komen zonder te tellen

Er zijn maar vijfenveertig plussommen onder de tien, en de helft daarvan kent je kind al voordat groep 3 begint. Toch is dit het onderwerp waar een heel schooljaar aan wordt besteed, en terecht: alles wat daarna komt, gaat ervan uit dat deze sommen er zonder nadenken uitrollen.

Plussommen tot 10, manier 1: de dubbelsommen als anker

Dubbelsommen zitten er bij vrijwel elk kind het eerst in. 2 en 2 is 4, 3 en 3 is 6, 4 en 4 is 8. Kinderen leren die zonder dat je er iets voor hoeft te doen.

Dat maakt ze bruikbaar als ankerpunt. Bij 4 plus 5 kun je zeggen: 4 en 4 is 8, en er is er eentje meer, dus 9. Dat heet een bijna dubbelsom.

Zeg die redenering een paar keer hardop voor. Kinderen nemen hem over zodra ze merken dat het sneller is dan tellen. Meer daarover staat bij dubbelen en bijna dubbelen.

Manier 2: erbij is niet altijd doortellen

Bij 2 plus 7 beginnen veel kinderen bij de 2 en tellen ze zeven stappen. Dat kost lang en gaat vaak mis.

Leer ze om met het grootste getal te beginnen. 7 plus 2 is hetzelfde als 2 plus 7, en vanaf 7 hoef je maar twee stappen. Dat halveert het werk bij de helft van alle sommen.

Die omkering is bovendien iets wat later bij de tafels terugkomt. Wie hem in groep 3 al gebruikt, heeft er in groep 5 profijt van.

Manier 3: de vijf als tussenstation

Op één hand zitten vijf vingers, en dat is geen toeval maar de reden dat ons hele getalstelsel op vijven en tienen is gebouwd.

Bij 6 plus 3 kun je denken: 6 is 5 en 1, dus 5 plus 4 is 9. Dat is voor sommige kinderen een omweg, maar voor kinderen die goed in vijven denken is het de kortste route.

Test of je kind in vijven denkt door snel zeven vingers op te steken en weer weg te halen. Zegt het meteen zeven, dan ziet het vijf en twee. Telt het, dan is de vijfstructuur er nog niet.

Manier 4: de splitsingen kennen

Achter elke plussom zit een splitsing. Wie weet dat 9 bestaat uit 6 en 3, hoeft bij 6 plus 3 niets uit te rekenen.

Dat is de reden dat scholen zoveel tijd besteden aan splitshuizen en splitsbomen. Het lijkt een omweg, maar het is precies dezelfde kennis in een vorm die twee kanten op werkt.

Oefen daarom niet alleen sommen maar ook splitsingen. Uit welke twee delen bestaat 8? Meer daarover staat bij het splitshuis.

Oefen de plussommen tot 10

Het derde onderdeel van Sommen tot 20, in korte rondes met sterren en een diploma. Gratis, zonder account.

Naar de plussommen

Manier 5: gewoon onthouden

Uiteindelijk moeten deze sommen feiten worden. Niet afgeleid, niet uitgerekend, maar opgehaald zoals je de naam van je straat ophaalt.

Dat gebeurt door herhaling, en die herhaling moet gespreid zijn. Vijf keer verdeeld over twee weken werkt beter dan twintig keer op één ochtend.

Markeer die overgang ook expliciet. Zeg tegen je kind dat het deze sommen nu gaat onthouden in plaats van uitrekenen. Zonder dat moment blijven kinderen jaren doorrekenen.

De sommen die het langst duren

Niet alle sommen zijn even moeilijk. Deze kosten in de praktijk de meeste tijd.

  • Sommen met 7 erin, zoals 7 plus 2 en 3 plus 7.
  • Sommen die vlak onder de tien uitkomen: 4 plus 5, 6 plus 3.
  • Sommen met twee middelgrote getallen, zoals 4 plus 3.

Sommen met 1, met 0 en met 10 zijn juist meteen klaar. Zet die dus niet meer op het oefenlijstje, hoe verleidelijk het ook is om te beginnen met wat lukt.

Waar je op let bij het oefenen

Er is één signaal dat er echt toe doet, en dat is tijd. Een som die binnen twee tellen goed is, zit erin. Een som waar vier seconden overheen gaan, wordt uitgerekend.

Fouten zijn daarbij minder belangrijk dan tempo. Een kind dat alles goed heeft maar overal over doet, heeft meer werk voor de boeg dan een kind dat er twee fout heeft maar de rest meteen weet.

Oefen daarom in korte rondes en door elkaar, en niet in rijtjes van dezelfde soort. Rijtjes maken het patroon voorspelbaar en dan hoeft je kind niets op te halen.

Wanneer dit af moet zijn

Plussommen tot 10 horen aan het eind van groep 3 paraat te zijn. In groep 4 wordt ervan uitgegaan dat ze er zijn, want dan komen de sommen tot 20 en de tafels.

In de leerlijn van SLO staat dat optellen en aftrekken tot 20 van buiten gekend moeten zijn. Tot 10 is daarvan de eerste helft, en die hoort een jaar eerder klaar te zijn.

Veelgestelde vragen

Hoeveel plussommen tot 10 zijn er eigenlijk?

Vijfenveertig, en de helft daarvan kent een kind al voordat groep 3 begint. Sommen met 0, 1 en 10 zijn meteen klaar; het echte werk zit bij de sommen met 7 erin en bij sommen die vlak onder de tien uitkomen.

Mag mijn kind bij deze sommen doortellen?

In het begin wel, maar het moet eruit. Leer het in elk geval om met het grootste getal te beginnen: 7 plus 2 is korter dan 2 plus 7 doortellen. Dat halveert het werk bij de helft van alle sommen.

Wanneer moeten plussommen tot 10 af zijn?

Aan het eind van groep 3. In groep 4 wordt ervan uitgegaan dat ze paraat zijn, want dan komen de sommen tot 20 en de tafels erbij. Loopt het dan nog stroef, oefen dan kort en dagelijks.

Waar let ik op tijdens het oefenen?

Op tijd, niet op fouten. Een som die binnen twee tellen goed is, zit erin; duurt het vier seconden, dan wordt hij uitgerekend. Een kind dat alles goed heeft maar traag is, heeft meer werk voor de boeg dan een kind met twee fouten.