Home › Blog › Voor ouders
Veerle Dielen · Basisschoolleerkracht · 12 augustus 2026 · 4 min lezen · Voor ouders

Op je vingers rekenen: mag dat, en wanneer moet het stoppen?

Een kaart met 7 is 5 plus 2, en daaronder de vijfstructuur van 6, 8 en 10 op de vingers

Het is een van de meest gestelde vragen aan de deur van groep 3: mag mijn kind op zijn vingers rekenen? Het korte antwoord is ja, en het langere antwoord is dat het er op een gegeven moment wel uit moet. De kunst zit in dat moment.

Waarom op je vingers rekenen om te beginnen prima is

Vingers zijn het eerste rekenmateriaal dat een kind heeft, en het enige dat het altijd bij zich draagt. Ze maken hoeveelheden zichtbaar, en dat is precies wat een kind van zes nodig heeft.

Er zit bovendien structuur in: vijf aan elke hand, samen tien. Dat is dezelfde structuur die op school met het rekenrek en met tienstructuren wordt aangeleerd. Een kind dat zes laat zien als een hele hand plus één vinger, denkt al in vijven, en dat is precies de bedoeling.

Het verschil tussen laten zien en tellen

Hier zit de kern van het antwoord, en dat onderscheid wordt zelden gemaakt.

Een kind dat in één beweging zes vingers opsteekt, gebruikt zijn handen als beeld. Dat is nuttig en dat mag blijven. Een kind dat bij 4 plus 3 begint te tellen, één, twee, drie, vier, en daarna verder telt, gebruikt zijn vingers als telmachine. Dat is de vorm die eruit moet.

Let dus niet op of de vingers gebruikt worden, maar op hoe. Dat scheelt veel onnodige zorgen, en het richt de aandacht op wat er werkelijk toe doet.

Wanneer het een probleem wordt

Er is geen harde leeftijdsgrens, maar er zijn wel duidelijke signalen.

Zorgelijk wordt het als je kind halverwege groep 4 nog elke som telt, of als het bij sommen boven de tien vastloopt omdat de vingers op zijn. Dat laatste is het praktische probleem: bij 8 plus 5 kom je met tien vingers niet uit, en bij 28 plus 5 al helemaal niet.

Vanaf groep 5 is tellen echt een belemmering. De sommen worden dan te groot en er komt te veel bij kijken. Meer daarover staat bij automatiseren.

Wat je juist niet moet doen

Verbieden. Dat is de meest voorkomende reactie en het werkt averechts.

Een kind dat zijn vingers niet meer mag gebruiken, heeft geen alternatief. Het gaat dan onder tafel tellen, of in het hoofd, en dat is trager en foutgevoeliger. Bovendien raakt het de enige houvast kwijt die het had, en dat kost vertrouwen.

Het tellen verdwijnt niet doordat je het verbiedt, maar doordat het overbodig wordt. Zorg dus dat er iets beters in de plaats komt.

Wat wel werkt

De weg eruit loopt via de splitsingen. Een kind dat weet dat 7 bestaat uit 5 en 2, hoeft bij 7 min 2 niet te tellen. Het antwoord komt uit iets wat het al weet.

Oefen daarom de splitsingen tot 10 en vooral de vriendjes van 10. Doe dat met spelletjes waarbij tellen niet kan, zoals knopen onder een doek verstoppen. Je kind moet het antwoord dan uit het hoofd halen.

En zeg wat je ziet, zonder oordeel. Ik zie dat je telt, zullen we kijken of het ook zonder kan? Dat is een uitnodiging in plaats van een verbod, en dat werkt bij dit onderwerp aanzienlijk beter.

Let ook op het tempo waarmee je kind zijn vingers gebruikt. Wie in één beweging zeven vingers opsteekt, denkt in vijven en heeft de structuur al te pakken. Wie er één voor één bij telt, is nog aan het opbouwen.

Dat verschil kun je zichtbaar maken met een flitsspel. Steek zelf snel een aantal vingers op en haal je hand weer weg. Je kind moet zeggen hoeveel het waren, en tellen kan niet meer. Twee minuten per dag is genoeg.

Wat de leerlijn erover zegt

Scholen bouwen het rekenen bewust op van tellen naar rekenen. In de leerlijn van SLO voor optellen en aftrekken staat het vlot optellen en aftrekken tot 20 als doel voor het eind van groep 4, en vlot betekent daar zonder tussenstappen.

Tellen op de vingers is dus geen fout maar een fase. Het hoort bij het begin en het hoort er tegen het eind van groep 4 uit te zijn, niet omdat het verboden is maar omdat er dan iets snellers voor in de plaats is gekomen.

Zit je kind daar nog niet, meld dat dan bij de leerkracht. Niet als klacht maar als vraag: zien jullie dit ook, en wat doen jullie eraan? Een half jaar gericht oefenen op de splitsingen is bijna altijd het antwoord.