Rekenen over het tiental: zo leer je je kind 8 + 5

Tot 10 gaat het goed, en dan komt 8 plus 5. Voor veel kinderen is dat het moment waarop rekenen ineens moeilijk wordt. Ze moeten een getal in stukken knippen, langs de 10 springen en onderweg onthouden wat er nog over is. Dat is een van de grootste denkstappen van de hele basisschool, en hij komt al in groep 4.
Wat rekenen over het tiental precies is
Bij 8 plus 5 kom je boven de 10 uit. Je kind kan niet meer op zijn vingers of in één beeld zien hoeveel het samen is, want er zijn maar tien vingers. Er moet dus iets anders gebeuren.
Op school leren kinderen daarvoor de sprong via de 10. Je vult eerst aan tot het tiental en gaat daarna verder met wat er overblijft. Bij 8 plus 5 gaat dat zo: 8 heeft nog 2 nodig om 10 te worden. Van de 5 blijft dan 3 over. En 10 plus 3 is 13.
Bij aftrekken werkt het net zo, maar dan andersom. Bij 13 min 5 haal je eerst 3 eraf om op 10 te komen, en dan nog 2. Zo blijft de 10 altijd het rustpunt in het midden.
Waarom dit zo belangrijk is
Een kind dat deze sprong beheerst, kan later 28 plus 5 en 68 plus 7 op precies dezelfde manier oplossen. Het patroon blijft hetzelfde, alleen de tientallen worden groter. Wie de sprong niet beheerst, blijft doortellen, en dat werkt tot ongeveer 20 nog net.
In de leerlijn van SLO staat bij groep 3 en 4 het automatiseren en memoriseren van de optellingen en aftrekkingen tot 10 en tot 20. In groep 5 en 6 wordt die kennis onderhouden en toegepast bij het rekenen tot 100. De sommen over het tiental zijn dus geen apart hoofdstukje, maar het fundament van de jaren erna.
Eerst dit, anders lukt het niet
De sprong via de 10 werkt alleen als twee dingen er al in zitten. Loopt je kind vast, controleer dan eerst deze twee voordat je gaat oefenen met 8 plus 5.
- De vriendjes van 10. Je kind moet zonder nadenken weten dat 8 er nog 2 bij nodig heeft. Twijfelt het daar, dan strandt de eerste stap al.
- Splitsen. De 5 moet uit elkaar gehaald worden in 2 en 3. Kan je kind getallen nog niet vlot splitsen, dan is dat het echte probleem.
Ga in dat geval een stap terug. Twee weken splitsen oefenen levert meer op dan twee maanden worstelen met sommen over het tiental.
Zo doe je het samen voor
Zeg de stappen hardop terwijl je ze laat zien met blokjes, knopen of muntjes. Neem 8 plus 5 en leg 8 aan de ene kant en 5 aan de andere.
- Hoeveel moeten er bij de 8 om 10 te worden? Twee.
- Schuif die twee van de 5 naar de 8. Nu is het 10.
- Hoeveel liggen er nog aan de andere kant? Drie.
- 10 en 3, dat is 13.
Laat je kind daarna dezelfde vier zinnen zeggen bij een nieuwe som. Het hardop uitspreken is niet overbodig: zolang je kind de stappen kan benoemen, kun je horen waar het misgaat. Bij stil rekenen zie je alleen het foute antwoord.
De twee andere manieren die kinderen gebruiken
De sprong via de 10 is de aanpak van vrijwel elke methode, maar er zijn er meer. Als je kind er zelf een gebruikt die werkt, laat dat dan.
- Verdubbelen. Bij 8 plus 7 denkt een kind: 7 plus 7 is 14, en er is nog eentje over, dus 15. Dat werkt prima bij sommen waarvan de getallen dicht bij elkaar liggen.
- Via de tien van het andere getal. Bij 4 plus 9 kun je ook 9 aanvullen tot 10 met eentje van de 4, en dan 10 plus 3.
Wat je wilt voorkomen is doortellen: negen, tien, elf, twaalf, dertien. Dat geeft wel het goede antwoord, maar het schaalt niet mee naar grotere getallen en het kost te veel tijd op een toets.
Oefen de sommen over het tiental
Van aanvullen tot 10 naar plus- en minsommen over het tiental, in korte rondes met sterren en een diploma. Gratis, zonder account.
Rekenen over het tiental oefenen zonder werkblad
Deze sommen hebben veel herhaling nodig, en dat hoeft niet aan tafel met een boekje. Korte rondjes werken beter dan lange sessies.
- Eierdoos van tien. Leg er acht in en laat je kind er vijf bij doen. De doos loopt vol bij tien, en de rest ligt ernaast. Precies het beeld dat je wilt.
- Twee dobbelstenen boven de zes. Gebruik dobbelstenen met hogere waarden, of gooi met drie stuks, zodat de uitkomst regelmatig boven de 10 komt.
- Onderweg. Roep sommen om beurten. Laat je kind na het antwoord in één zin zeggen hoe het gedacht heeft.
Als je kind blijft tellen
Zie je de vingers of hoor je zacht meetellen, dan is de sprong nog niet gemaakt. Ga terug naar materiaal dat je kunt zien en aanraken. Een kind dat de tien voor zich ziet volle worden, snapt de sprong sneller dan een kind dat alleen cijfers ziet.
Bouw daarna langzaam af: eerst met blokjes, dan met een getekende tienstructuur, dan alleen met de som. Die tussenstap wordt vaak overgeslagen, en juist daar valt het kwartje bij de meeste kinderen.
Wanneer moet het erin zitten?
De meeste methodes behandelen de sommen over het tiental in de tweede helft van groep 4. Aan het eind van dat jaar wordt verwacht dat een kind ze vlot maakt, dus zonder tellen en binnen een paar seconden.
Lukt dat aan het begin van groep 5 nog niet, dan is dat het moment om er iets mee te doen. Niet omdat het dan te laat is, maar omdat het rekenen tot 100 er direct op voortbouwt en de achterstand anders elk jaar groter wordt.
Aftrekken over het tiental: de andere kant op
Optellen krijgt thuis meestal de meeste aandacht, terwijl aftrekken over het tiental lastiger is. Bij 13 min 5 moet je kind eerst terug naar de 10 en daarna nog verder, en die tweede stap wordt vaak vergeten.
Doe het in dezelfde volgorde als bij optellen. Hoeveel moet er van de 13 af om op 10 te komen? Drie. Hoeveel van de 5 heb je dan nog over? Twee. En 10 min 2 is 8. Precies dezelfde vier zinnen, alleen achteruit.
Er is nog een tweede manier die veel kinderen prettiger vinden: aanvullen. Bij 13 min 5 denk je dan niet wat gaat eraf, maar hoeveel moet er bij de 5 om op 13 te komen? Vijf plus vijf is tien, en dan nog drie, dus acht. Vooral bij sommen waar de getallen dicht bij elkaar liggen, zoals 12 min 9, is aanvullen veel sneller dan terugtellen.
Veelgestelde vragen
Wat betekent rekenen over het tiental?
Het betekent dat de uitkomst van een som boven een tiental uitkomt, bijvoorbeeld bij 8 plus 5. Je kind vult eerst aan tot 10 en rekent daarna verder met wat er overblijft. Bij aftrekken gaat het andersom: eerst terug naar de 10, dan de rest eraf.
In welke groep leren kinderen dit?
Meestal in de tweede helft van groep 4. Daarvoor komen de sommen tot 10 en het aanvullen tot 20 aan bod. Aan het eind van groep 4 wordt verwacht dat een kind deze sommen vlot maakt, zonder te tellen.
Mijn kind telt de sommen op de vingers. Is dat erg?
In het begin niet, maar het moet er wel uit. Tellen geeft het goede antwoord bij kleine getallen en loopt vast bij 28 plus 5. Ga terug naar materiaal waarbij je kind de tien vol ziet lopen, en bouw dat daarna stap voor stap af.
Moet mijn kind de sprong via de 10 gebruiken of mag een andere manier ook?
Een andere manier mag, zolang het geen tellen is. Verdubbelen werkt bijvoorbeeld goed bij 8 plus 7. Kies thuis wel dezelfde aanpak als op school, anders raakt je kind in de war van twee verschillende verhalen bij dezelfde som.
