Home › Blog › Voor leerkrachten
Veerle Dielen · Basisschoolleerkracht · 5 augustus 2026 · 8 min lezen · Voor leerkrachten

Van tellen naar rekenen: het punt waarop groep 3 vastloopt

Een kaart met de drie fasen tellen, uitrekenen en weten bij de som 6 plus 3

In september van groep 3 telt iedereen, en dat hoort. In juni telt een deel van de klas nog steeds, en dat hoort niet. Tussen die twee momenten ligt een overgang die zelden expliciet wordt onderwezen: van een antwoord uitrekenen naar een antwoord weten. Wie die overgang niet maakt, sleept hem jaren mee.

Van tellen naar rekenen in drie fasen

Neem 6 plus 3. Er zijn drie manieren waarop een leerling daar antwoord op geeft, en ze verraden precies waar hij staat.

  • Tellen vanaf 1: één, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen.
  • Doortellen vanaf 6: zeven, acht, negen.
  • Weten: negen, meteen.

Die middelste fase wordt vaak voor het eindpunt aangezien, want het is duidelijk sneller dan de eerste. Toch is het nog steeds tellen, en dus nog steeds een strategie die bij grotere getallen omvalt.

Waarom tellen zo hardnekkig is

Tellen werkt. Dat is de kern van het probleem. Een leerling die telt, komt op het goede antwoord en krijgt daarmee bevestiging dat de aanpak deugt.

Daar komt bij dat tellen in groep 3 vaak snel genoeg is. De getallen zijn klein, er is geen tijdsdruk, en het valt in de klas niet op.

Pas in groep 4 wordt zichtbaar wat het kost, en dan zit de gewoonte er een jaar in. Vandaar dat je hem in groep 3 moet aanpakken, ook als er geen zichtbaar probleem is.

Drie voorwaarden voor de overstap

Een leerling stapt niet over omdat je het vraagt, maar omdat er iets beters beschikbaar is. Dat betere bestaat uit drie dingen.

Ten eerste hoeveelheden zien zonder tellen. Wie zeven fiches ziet als vijf en twee, heeft de splitsing al in beeld.

Ten tweede de splitsingen tot 10 paraat. Wie weet dat 9 bestaat uit 6 en 3, hoeft bij 6 plus 3 niets uit te rekenen.

Ten derde ervaren dat het sneller kan. Zolang een leerling geen alternatief heeft gezien, is er geen reden om iets anders te proberen.

Maak de overstap zichtbaar in je instructie

De meest onderschatte ingreep is het benoemen van het doel. Zeg hardop dat er een moment komt waarop we deze sommen niet meer uitrekenen maar onthouden.

Markeer dat moment ook echt, bijvoorbeeld na de kerstvakantie voor de sommen tot 10. Vanaf nu weten we deze, en als het antwoord er niet is, zeg ik het voor.

Zonder zo'n markering blijven leerlingen doorrekenen, want niemand heeft ze verteld dat dat niet meer de bedoeling is.

Oefen met sommen die te snel komen om te tellen

Korte rondes met sommen door elkaar, waarin je per leerling ziet wat er paraat is. Gratis, zonder account.

Bekijk het voor de klas

Werkvormen waarbij tellen niet past

Tellen verdwijnt niet door een verbod maar door situaties waarin het simpelweg niet kan.

  • Flitsen: een kaart één seconde laten zien en weghalen.
  • Dobbelen met stippen in de vaste opstelling.
  • Het rekenrek in één beweging schuiven en afdekken.
  • Fiches onder een doek: er lagen er tien, ik zie er zes.

Vraag bij alle vier niet hoeveel het er zijn maar hoe de leerling het zag. Het antwoord vijf en twee verraadt structuur; ik heb geteld verraadt dat je terug moet. Meer daarover staat bij tellend rekenen doorbreken.

Meet op tijd, niet op fouten

Een leerling die telt, heeft de sommen meestal goed. Op een gewone toets valt hij dus niet op, en dat is precies waarom hij wordt gemist.

Neem daarom eens per twee weken tien sommen af en noteer hoeveel er binnen drie seconden goed zijn. Dat getal, niet het aantal fouten, is je meting.

Een reeks van vijf van die metingen laat zien of de klas de overstap maakt. Meer daarover staat bij voortgang bijhouden.

Wat er gebeurt als de overstap uitblijft

Tellend rekenen dat na groep 4 blijft bestaan, is een van de sterkste voorspellers van latere rekenproblemen. Dat is geen toeval maar een gevolg.

Elke som die geteld wordt, vult het werkgeheugen. Bij een som van twee getallen valt dat mee; bij een verhaalsom of een som met tussenstappen is er geen ruimte meer over.

Bovendien slaat een uitgerekende som niet op. De leerling komt volgend jaar dezelfde som opnieuw tegen en telt opnieuw. Meer daarover staat bij werkgeheugen en rekenen.

Wat de leerlijn vraagt

In de leerlijn van SLO staat dat de basisbewerkingen tot 100 snel uit het hoofd moeten gaan, waarbij optellen en aftrekken tot 20 van buiten gekend zijn.

Van buiten sluit tellen uit. Dat maakt de overstap geen didactische voorkeur maar een expliciet geformuleerd doel.

Het is ook de taal die je in een gesprek met ouders kunt gebruiken: het gaat niet om fouten maar om tempo, en tempo staat hier als doel geformuleerd.

Veelgestelde vragen

Wat is het verschil tussen tellen en rekenen?

Bij tellen loopt een leerling de telrij af, ook als hij doortelt vanaf het grootste getal. Bij rekenen haalt hij het antwoord op of leidt hij het af uit een splitsing. Doortellen lijkt een eindpunt maar is nog steeds tellen.

Waarom valt tellend rekenen zo laat op?

Omdat de sommen goed zijn. Een leerling die telt, scoort op een gewone toets prima; alleen de tijd verraadt hem. Meet daarom hoeveel sommen er binnen drie seconden goed zijn in plaats van hoeveel er fout waren.

Wat is er nodig voor de overstap?

Hoeveelheden kunnen zien zonder tellen, de splitsingen tot 10 paraat hebben, en ervaren dat het sneller kan. Zolang er geen alternatief beschikbaar is, blijft tellen de verstandigste keuze voor de leerling.

Moet je het tellen verbieden?

Nee. Dan verplaatst het zich naar het hoofd of onder de tafel en wordt het onzichtbaar. Kies werkvormen waarbij tellen simpelweg niet past: flitsen, dobbelen met stippen, fiches onder een doek.